Er stonden veel struiken in de tuin, die mijn vader in de afgelopen 15 jaar had neergezet.
Het liefst had ik ze allemaal mee genomen.
Er was één speciale bij.
De hazelaar.
Mijn vader zei, je kunt die struik niet verplanten, hij gaat dood als je dat doet.
Zo eigenwijs als ik was, haalde ik de struik uit de grond en plantte hem bij mijn nieuwe huis.
In die tijd lagen mijn vader en ik niet goed bij elkaar.
De lente brak aan, geen nieuwe knoppen, de zomer verscheen.
De struik leek te verdorren.
Er zat geen groen meer aan, hoewel ik er veel aandacht aan schonk.
Ik begon in te zien, dat mijn vader gelijk had.
Dit alles vertelde ik hem, dat ik zo eigenwijs was en hem niet wou geloven.
Weet je wat er gebeurde, de hazelaar begon te groeien.
De knoppen die er waren kwamen te voorschijn.
Dit noem ik liefde.
Nu zes jaar later, het zal mij altijd bij blijven.
Het is een herinnering tussen mijn vader en mij.